Stem tijdstip toedienen dierlijke mest af op behoefte en omstandighedenfactsheet

Laat toedienen van mest (eind maart) vermindert het risico van N- en P-afspoeling vooral in natte gebieden. Afhankelijk van de bedrijfssituatie kan dit grasopbrengst kosten.

Met laat toedienen van mest voor de 1e snede wordt de kans op oppervlakkige afspoeling en op structuurschade verlaagt. Stoppen met mest toedienen per 1 augustus in plaats van per 1 september verlaagt de nitraatuitspoeling. Kwantitatieve gegevens die deze maatregelen onderbouwen zijn er weinig. Laat toedienen van mest in het voorjaar kan meer mestopslagcapaciteit vergen en kost grasopbrengst. Ook is een risico van meer besmeuring van gras met mest en dat geen mest uitgereden kan worden voor de 1e snede vanwege ongunstige weersomstandigheden na medio maart. Stoppen per 1 augustus vergt extra mestopslagcapaciteit. Veel van de maatregelen kosten meer dan ze opbrengen vanwege lagere opbrengsten of extra investeringen.

Samenvatting

 

Waardering

Toelichting

Productievoordeel1)

--

De graslandproductie is lager vanwege later bemesten in het voorjaar.

Milieuvoordeel1)

++ tot 0

Minder risico van afspoeling en minder minerale N in de bodem in het najaar.

Kosten2)

+

Het kost grasopbrengst. Bij een ruime grasvoorziening maakt dat niet uit. Er is meer mestopslagcapaciteit nodig dan 7 maanden.

1) -- = sterk negatief, - = negatief, 0 = neutraal, + = positief, ++ = sterk positief

2) 0 = geen, + = beperkt, ++ = aanzienlijk, +++ = hoog

De maatregel

De timing van mesttoediening voor de eerste snede is belangrijk voor het verminderen van de afspoelingsverliezen. Op grasland wordt voor de eerste snede veel mest uitgereden; 25-35 m3/ha. Een randvoorwaarde is dat de bodem dan voldoende draagkracht heeft om structuurschade te vermijden. Ook de weersomstandigheden (geen bevroren grond of veel regen na uitrijden) moeten het toelaten.
Vroeg uitrijden geeft de hoogste grasopbrengst maar geeft een groter risico op afspoelingsverliezen van N en P naar het oppervlaktewater. Bij laat uitrijden is dat risico kleiner maar kost het opbrengst. Mest bevat organisch gebonden stikstof en ammoniumstikstof dat in het voorjaar slechts langzaam wordt omgezet naar nitraat (nitrificatie). Ammonium is niet uitspoelingsgevoelig, nitraat juist wel (zie factsheet 12). Het risico van uitspoeling of denitrificatie uit mest is gering. Sinds kort zijn er nitrificatieremmers beschikbaar die aan de mest kunnen worden toegevoegd om de nitrificatie nog meer te vertragen.

Het risico op afspoeling is het grootst op klei- en een veengronden omdat die in het voorjaar vaak nat zijn en daardoor een lage infiltratie hebben bij regenval na mesttoediening. Op zandgronden is dit risico veel kleiner. Later uitrijden, na half maart, kan de afspoeling sterk beperken vooral op klei en veen.

Eerder stoppen dan 1 september met mest toedienen vermindert eveneens het risico van uitspoeling omdat na het einde van het groeiseizoen er minder nalevering van stikstof uit mest is.

Later uitrijden in het voorjaar en eerder stoppen in de nazomer vergen meer opslagcapaciteit. Vroeger uitrijden in het voorjaar is gunstig voor een vroege eerste snede gras.

Doel

Doel is om de eerste snede bemesting met dierlijke mest later uit te voeren (na half maart) om zo minder risico te lopen van oppervlakkige afspoeling en om eerder te stoppen met bemesten in de nazomer voor vermindering van de mineralisatie buiten het groeiseizoen.

Effect op de waterkwaliteit

Met later toedienen van mest wordt de risicoperiode van afspoeling op grasland verkort. Kwantitatieve gegevens over de afspoeling zijn schaars. Wel zijn er gegevens bij waterschappen dat juist in het voorjaar de N- en P-gehalten van oppervlaktewater toenemen. Dit wordt toegeschreven aan het uitrijden van mest, maar de bewijzen zijn niet eenduidig. In sommige gebieden is er een duidelijk verband, in andere niet. Toedienen voor de 1e snede leidt op basis van de beperkte data niet tot een hogere N‑uitspoeling. Er zijn geen meetgegevens over het effect op de uit- en afspoeling van een 1 maand eerder stoppen met mest toedienen in de nazomer.

Effect op de bodemkwaliteit

Een absolute voorwaarde voor mesttoediening in het voorjaar is dat de bodem voldoende draagkracht heeft. Dat geldt bij vroeg en laat toedienen van mest. In het algemeen is bij laat toedienen het risico van structuurschade minder dan bij vroeg toedienen.

Reactietijd

Het effect van de handeling is binnen 1 jaar merkbaar.

De (kosten)effectiviteit

Laat toedienen van mest geeft een 600-1000 kg lagere drogestofopbrengst per ha. Dit komt overeen met een waarde van 60 € per ha. Indien bedrijven een ruime voerpositie hebben dan is de waarde van dit gras 0 €. Bedrijven moeten 7 maanden mestopslagcapaciteit hebben. Eerder stoppen met bemesten (per 1 augustus) betekent dat voor 8 maanden mestopslagcapaciteit nodig is. Bij een goedkope vorm van opslag vergt 1 maand extra opslag ongeveer 40 € aan extra investeringen per koe. Omgerekend komt dit overeen met jaarkosten van 7 € per ha per jaar. Een dure variant van opslag kost gauw het drievoudige.

Afhankelijk van de individuele ondernemer bedragen de meerkosten dus 7-80 € per ha. Er zijn geen directe baten. Het toepassen van nitrificatieremmers kost 30 € per ha. De meeropbrengst aan gras(eiwit) compenseert de investering op basis van meerjarig onderzoek door DLV.

Tips en aandachtspunten

  • Bemesting dient altijd samen te gaan met de verwachte weerssituatie voor de komende week. Wordt er veel neerslag verwacht dan dient mesttoediening uitgesteld te worden.
  • Overweeg het gebruik van de sleepslangenmachine, vooral in het voorjaar. Dat geeft minder risico op structuurschade.
  • Wachten tot eind maart houdt het risico in dat het daarna te nat is om mest toe te dienen waardoor de eerste snede geen mest krijgt. Soms staat er eind maart al een halve weidesnede. Dan mest toedienen kan leiden tot extra besmeuring.
  • Gewenst is dat de samenstelling van de mest bekend is.
  • Beperk bij voorkeur de gift voor de 1e snede tot 25-30 m3/ha. Dat voorkomt dat mest boven de sleuf uitkomt waardoor er meer risico is van afspoeling en ammoniakemissie.
  • U dient vaste mest bij voorkeur duidelijk later dan 1 februari toe te dienen. Bij vaste mest is het afspoelingsrisico mogelijk nog groter.
  • Zorg voor minimaal een week verschil tussen mest toedienen en kunstmestbemesting.
  • Bepalend voor mest toedienen is of er voldoende draagkracht is. Eerst kunstmest (zie factsheet 12) toedienen en daarna mest kan een optie zijn.

Meer informatie

  • Wim Bussink (2014). Tekort aan (kunst)mest? Hoe verdeel ik de kunstmest dynamisch? https://www.bemestingsadvies.nl/nl/bemestingsadvies/Themadagen/Themadag-2014.htm
  • Den Boer, D.J., Holshof, G., Bussink, D.W. en van Middelkoop, J.C., 2011. Type en toedieningsvorm van N-kunstmest; Effecten op gewas- en eiwitproductie en –kwaliteit. NMI rapport 1364.N.09, Wageningen, Pp. 95.
  • Bussink, D.W., Boer, H.C., Boons-Prins, E.R. & Schils, R.L.M., 2003. Toetsing van voorjaarsmeststoffen op grasland; 2002. NMI rapport 807.01. Wageningen. Pp.68.

Download hieronder de factsheet in pdf

BijlageGrootte
fs_10_organische_mest.pdf99.85 KB
Back to top