Stem de bemesting af op de N-mineralisatie

De snedebemesting kan bij warm en vochtig weer op veengrasland met 15% gekort worden en met 7,5% op alle andere graslanden. Bij warm en vochtig weer in augustus kan 2 tot 4 weken eerder gestopt worden met bemesten.

Hoge temperaturen en vochtige omstandigheden bevorderen de mineralisatie. Bij warme en vochtige omstandigheden kan de snedebemesting met 6, 9 en 15% gekort worden bij een NLV van respectievelijk 150, 200 en 250 kg N per ha. Per snede bedraagt de extra werking uit dierlijke mest 1 kg N per ha. Bij warm en vochtig weer in augustus kan respectievelijk op 15 augustus en 1 september gestopt worden met bemesten bij een NLV hoger en lager dan 150. Op percelen die veel beweid worden is er nawerking uit urineplekken. Is eind juli/begin augustus meer dan 30 kg Nmin per ha aanwezig dan is geen stikstofbemesting nodig voor de laatste snede. Bij maïs kunt u voor de maïszaai het N-advies met 40 kg N per ha verlagen. Gedurende het seizoen zijn er geen mogelijkheden van bijstelling.

Samenvatting

 

Waardering

Toelichting

Productievoordeel1)

0

De graslandproductie verandert nauwelijks. Bij korten op de maïs kan meer stikstof naar het grasland.

Milieuvoordeel1)

+

Er is minder minerale N in de bodem in het najaar.

Kosten2)

0 / +

Gemiddeld over de jaren verandert de meststoffen hoeveelheid nauwelijks. Er kunnen extra kosten voor grondonderzoek zijn.

1) -- = sterk negatief, - = negatief, 0 = neutraal, + = positief, ++ = sterk positief

2) 0 = geen, + = beperkt, ++ = aanzienlijk, +++ = hoog

De maatregel

Een hoge temperatuur en voldoende vocht bevorderen de mineralisatie uit grond en mest. Door bij de bemesting hiermee rekening te houden, wordt stikstof beter benut en is het risico op verliezen kleiner; vooral in het najaar. Is het weerbeeld bij de 2e en of latere snedebemesting warmer en natter dan normaal, dan kan bemest worden volgens een 20% hogere NLV. Dit betekent een korting op de snedegift van respectievelijk 6, 9 of 15% bij een NLV van respectievelijk 150, 200 en 250 kg N per ha. Praktisch betekent dit een korting van respectievelijk 15% op veengrond en 7,5% op alle andere gronden. Is het weerbeeld koud en nat dan geldt het omgekeerde. De extra mineralisatie uit mest bij een jaargift van 60 m3 per ha verdeeld, bedraagt op jaarbasis bij warm en nat weer maximaal 4-5 kg N per ha of wel ongeveer 1 kg N per ha per snede.

Door met mesttoediening te stoppen voor 15 augustus in plaats van 1 september, verhoogt u de stikstofbenutting uit mest. Bij warm en nat weer in augustus kunt u tot maximaal 1 maand eerder stoppen met kunstmest geven. De mineralisatie is dan dermate hoog dat de grasgroei waarschijnlijk op peil blijft. Praktisch betekent dit stoppen rond 15 augustus bij percelen boven NLV 150 en stoppen rond 1 september op percelen met een NLV 150 of lager.

Op percelen met veel beweiding is er nawerking uit urinestikstof. Is er meer dan 30 kg Nmin per ha aanwezig op basis van grondonderzoek eind juli dan kan de laatste snedebemesting achterwege blijven. Eerder stoppen met bemesten in het najaar kan het risico van uit- en afspoeling verlagen. Tegelijk kan het nadelig werken voor de grasproductie en is er risico op kroonroest.

Op maïsland kan de bemesting niet tussentijds worden bijgestuurd. Generiek een korting toepassen van 40 kg N per ha op het stikstofadvies geeft een lagere Nmin na de oogst en nauwelijks opbrengstderving.

Doel

Door beter rekening te houden met de mineralisatie uit mest en bodem kan stikstof uit mest en kunstmest efficiënter worden ingezet met minder risico op uit- en afspoeling in het najaar.

Effect op de waterkwaliteit

Bij hoge temperaturen en vochtige omstandigheden kan de mineralisatie in het najaar lang doorgaan. De opnamecapaciteit van gras neemt dan snel af. Door met de bemesting hier op in te spelen (eerder stoppen en of lagere giften) kan de hoeveelheid Nmin in de bodem worden verlaagd, waardoor het risico op N-uitspoeling daalt. Meetgegevens die dit onderbouwen zijn er weinig.

Effect op de waterkwantiteit

De maatregel heeft geen effect op de waterkwantiteit.

Effect op de bodemkwaliteit

De maatregel heeft geen effect op de bodemkwaliteit.

Reactietijd

Het effect van de handeling is in het jaar merkbaar.

De effectiviteit

De maatregel is op grasland beperkt effectief. In het groeiseizoen is er zelden een verhoogd Nmin niveau bij de huidige niveaus van bemesting. Alleen bij veel beweiden is het Nmin-gehalte verhoogd, vooral meer naar het eind van het seizoen. De maatregel is toepasbaar op alle grondsoorten. Het grootste effect is mogelijk te verwachten op veengrond.

Risico’s

Eerder stoppen met bemesten kan het risico inhouden dat eerder met de wintervoorraad moet worden begonnen en dat koeien eerder opstal moeten. Indien het gras traag groeit door een lage bemesting neemt het risico op kroonroest toe vooral bij vochtig en warm weer. Kroonroest geeft minder smakelijk gras.

Tips en aandachtspunten

  • Gebruik een goed afgestelde strooier om in de tweede helft van het groeiseizoen kleine giften ook goed te kunnen strooien.
  • Gebruik aan het eind van het seizoen eventueel meststoffen met een lager N-gehalte voor strooibare hoeveelheden.
  • Let bij bemesting met dierlijke mest op een goed werkresultaat; geen versmering en mest die buiten de sleuf treedt bij zodebemesting.
  • Strooi niet na een periode van droogte en de grond weer vochtig is door neerslag. Er komt dan vanzelf extra stikstof vrij door mineralisatie en er is nawerking van eerder gegeven stikstof.
  • Geen mest naar gescheurd maïsland (zie factsheet 23).
  • Voor meer informatie over mest verdunnen zie factsheet 24.
  • Voor meer informatie over het benutten van (kunst)meststoffen zie factsheet 12.
  • Voor meer informatie over mest toewijzen aan percelen zie factsheet 4.

Kosten en baten

  • Beter rekening houden met de mineralisatie brengt geen extra kosten met zich mee. De baten zijn beperkt. De graskwaliteit is mogelijk constanter wat rantsoen technisch minder bijstellingen vergt gedurende het seizoen.
  • Eerder stoppen met bemesten kan het risico inhouden dat eerder met de wintervoorraad moet worden begonnen en dat koeien eerder opstal moeten. De kosten hiervoor zijn lastig te becijferen.
  • Eerder stoppen met mest uitrijden betekent meer mestopslag. Per 2 weken eerder stoppen betekent dit 5-15 € per koe per jaar (factsheet 10).
  • Tegenover de kosten van de Nmin bemonstering staan de mogelijke baten van een strooibeurt minder en eventueel een besparing op kunstmest indien de uitgespaarde kunstmest niet op andere percelen wordt toegediend.
  • Door bemesting gerichter af te stemmen op de situatie en per snede mag een hogere jaaropbrengst verwacht worden, omdat op andere momenten meer mest beschikbaar is (nu te veel de nadruk op risico van lagere opbrengst).

Meer informatie

  • Schils, R.L.M., 1988. Verfijning stikstofbemesting op grasland met nitraatsneltest. In: Waiboerhoeve 1987. Verslag van praktijkgericht onderzoek. PR-publicatie 56, 11-16.
  • Wouters, A.P. & Hassink, J., 1996. Bijsturen van de N-bemesting tijdens het seizoen. In: Loonen, J.W.G.M. & Bach-de Wit, W.E.M. (eds.) Stikstof in Beeld. Naar een nieuw bemestingsadvies op grasland, 60-77.
  • Bussink, D.W., Holshof, G., Vergeer, W.N., Schils, R.L.M. en Bakker, R.F., 2002. Efficiënter stikstofgebruik bij lage bemestingsniveaus op grasland. Gezamenlijke studie van NMI en PV. NMI-Wageningen, pp.139.
  • Ros, G.H., van Schöll, L., Bussink, D.W., 2012. N-advies op nieuwe leest. NMI rapport 1248.N.07.
  • Holshof, G. & Willems, J., 2004. Invloed eerder opstallen en verlagen stikstofbemesting op de hoeveelheid minerale-N in de bodem en de nitraatconcentratie in bovenste grondwater. Praktijkrapport rundvee 44. ASG pp 50.
  • Verloop, J., Hilhorst, G.J. & Oenema, J., 2007. Stikstof mineralisatie op melkveebedrijf ‘De Marke’. Analyse van waarnemingen en van hun betekenis voor het management. Rapport 36 Rapport Plant Research International nr. 132.
  • Ros, G.H. & van Eekeren, J.M., 2012. Evaluatie NLV-concept voor CBGV. Is een update nodig? CBGV Wageningen.

Download hieronder de factsheet als pdf

Back to top