Hoe zorg je ervoor dat stikstof zoveel mogelijk in het gewas terechtkomt en zo min mogelijk verloren gaat? Alleen naar de hoeveelheid mest kijken is niet genoeg. Tijdens de Bodemdag van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) en Aeres Hogeschool deelden onderzoekers Janjo de Haan en Brigitte Kroonen van Wageningen University Research (WUR) de lessen uit het project Akkerbouw voor Waterkwaliteit met bodemadviseurs. De belangrijkste boodschap: bodem, gewas, bouwplan, bemesting en water hangen nauw met elkaar samen. Juist door naar het geheel te kijken, kun je stikstof beter benutten en verliezen beperken.
Grote verschillen tussen bedrijven en percelen
Binnen het project werkten telers, adviseurs en onderzoekers samen op veertien bedrijven op zandgrond in Noordoost- en Zuidoost-Nederland. Onder andere de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater, de N-min in het najaar en het stikstofbodemoverschot is gemeten of berekend.
Er zijn flinke verschillen tussen bedrijven voor deze indicatoren. Hoewel je als teler niet op iedere factor invloed hebt heeft het bedrijfsmanagement wel grote invloed op de hoogte van deze indicatoren en zijn er volgens de onderzoekers meerdere knoppen waaraan je kunt draaien.
Kijk verder dan de stikstofgift
Een belangrijk aandachtspunt is hoeveel stikstof daadwerkelijk beschikbaar komt voor het gewas. Die komt namelijk niet alleen uit kunstmest of dierlijke mest. De N-min die al in de bodem zit en de mineralisatie uit de bodem en ingewerkte gewasresten en groenbemesters dragen bij aan de stikstofvoorziening.
Door deze bronnen goed mee te nemen in het bemestingsplan, kan de bemesting beter worden afgestemd op wat het gewas daadwerkelijk nodig heeft. Daarbij kan het stikstofleverend vermogen sterk verschillen tussen percelen. Goed inzicht in je bodem is daarom een belangrijk onderdeel van de puzzel.
Het ene gewas is het andere niet
Het gewas zelf maakt eveneens verschil. Sommige gewassen kunnen beschikbare stikstof efficiënter benutten dan andere. Zo benutten granen stikstof over het algemeen efficiënter dan bijvoorbeeld aardappelen en uien. Bij gewassen met een lagere stikstofbenutting is het risico groter dat stikstof na de teelt achterblijft.
Daarnaast telt het moment waarop stikstof beschikbaar komt mee. Veel gewassen kennen een relatief korte periode waarin de stikstofopname sterk toeneemt. Door te zorgen dat de beschikbare stikstof zo goed mogelijk aansluit op de opname van het gewas, kan stikstof beter worden benut.
Vang wat na de oogst overblijft
Na de oogst is het stikstofmanagement nog niet klaar. Er kan stikstof achterblijven in de bodem en in gewasresten. Daarnaast kan in het najaar door mineralisatie nog stikstof vrijkomen. Een goed ontwikkeld vanggewas kan deze stikstof opnemen en zo het risico op uitspoeling verkleinen.
Daarbij telt het zaaimoment. Hoe eerder een vanggewas wordt gezaaid, hoe meer stikstof het kan opnemen. De keuze voor een winterhard vanggewas dat lang blijft staan, helpt om stikstof langer vast te houden.
Het bouwplan telt mee
Niet ieder gewas heeft hetzelfde risico op nitraatuitspoeling. Vroeg geoogste gewassen bieden bijvoorbeeld meer ruimte om tijdig een goed vanggewas te telen. De raskeuze kan hierin eveneens verschil maken. Een eerder oogstmoment betekent dat het vanggewas eerder de grond in kan.
Het beperken van stikstofverliezen begint daarmee niet bij één teelt of één bemestingsmoment, maar vraagt om vooruitkijken naar de gehele rotatie.
Meten is ook terugkijken
Goed stikstofmanagement betekent niet alleen vooruitkijken, maar ook evalueren. Met een N-min-meting in het najaar krijg je inzicht in hoeveel minerale stikstof na de teelt nog in de bodem aanwezig is. Dat geeft een indicatie van het risico op nitraatuitspoeling en helpt om te beoordelen of er voor een volgend seizoen aanpassingen mogelijk zijn in bijvoorbeeld bemesting, bouwplan of de inzet van groenbemesters.
Geen quick fix, wel veel knoppen
Dé maatregel om nitraatuitspoeling te voorkomen bestaat dus niet. De resultaten uit het project laten juist zien dat een combinatie van factoren bepaalt hoeveel stikstof uiteindelijk wordt benut of verloren gaat. Het gaat om bemesting, maar net zo goed om gewaskeuze, bodemstructuur, beworteling, vochtvoorziening, bouwplan en vanggewassen.
Praktisch aan de slag met stikstof
De kennis uit het project is vertaald naar de brochure ‘Grip op stikstof: verhoog je stikstofefficiëntie, verlaag je nitraatuitspoeling’. Daarin zijn tien praktische actiepunten verzameld waarmee je stikstof efficiënter kunt benutten en het risico op nitraatuitspoeling kunt verkleinen.

