Oppervlakkige afstroming ontstaat vooral tijdens matige en hevige buien op al natte percelen. Vaak ontstaan er eerst plassen die plaatselijk overlopen naar de sloot1. Hierbij spoelen met het water ook vruchtbare bodemdeeltjes, nutriënten (vooral fosfor) en gewasbeschermingsmiddelen mee.

Gepubliceerd op woensdag 19 augustus 2026
Beperken afstroming en erosie
Effectiviteit ToepasbaarheidWater laten infiltreren
Het doel van maatregelen tegen oppervlakkige afstroming is regenwater zoveel mogelijk op het perceel te laten infiltreren. Als er toch oppervlakkige afstroming plaatsvindt, is bodemerosie te minimaliseren door de stroomsnelheid te verlagen en infiltratie verderop in het perceel of in de bufferstrook te vergroten.
Op het perceel zorgen drempels in ruggenteelten (ofwel erosiestoppers) en het aanbrengen van microreliëf ervoor dat water minder snel afstroomt. Op hellende percelen helpt de aanleg van terrassen en het ploegen langs de hoogtelijnen (contourbewerking). Maatregelen als niet kerende grondbewerking, groenbedekkers (jaarrond groen) en diepwortelende gewassen verbeteren de bodemstructuur, waardoor regenwater makkelijker infiltreert.
Langs de sloot remmen infiltratiegreppels oppervlakkige afstroming af en vangen zo een deel van de nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en bodemdeeltjes af voordat deze de sloot bereiken. Een bezinkpoel vertraagt de afvoer
verder, waardoor ook fijnere bodemdeeltjes bezinken, voordat ze de sloot bereiken. Infiltratiegreppels en bezinkpoelen zijn in te passen in bufferstroken.