Gijs en Arnold van Schriek
Resultaten bekend

Goede mest, de basis voor een gezonde kringloop

Goede mest vormt de basis voor een gezonde kringloop. Onder die noemer vond half maart een bijeenkomst plaats in het Gelderse Hall, georganiseerd vanuit het DAW Impulsproject van waterschap Vallei en Veluwe. Met als belangrijkste uitgangspunt: ruim baan voor de biologie bij álle facetten van de bedrijfsvoering.

De goedbezochte bijeenkomst werd ingeleid door Richard van Hoorn, Heidi Uenk en Sarah Mampuys, respectievelijk beleidsadviseur waterschap Vallei en Veluwe en DAW Impuls-projectleiders. Daarna ging een masterclass over mestkwaliteit van start, gegeven door Peter Vanhoof. In 2009 begon Peter met eigen mestmetingen op landbouwbedrijven. Gaandeweg ontwikkelde hij een meetmethode, die hij gebruikt als basis voor advies. Bij die adviezen is een belangrijke rol weggelegd voor de biologie, die volgens Peter in de gehele kringloop volledig tot ontwikkeling moet kunnen komen. Kortgezegd: een goede kwaliteit voer leidt tot gezonde koeien, met een goede mestkwaliteit. Goede mest leidt tot een gezonde bodem waar (voeder)gewassen beter in kunnen groeien, waarmee de bedrijfskringloop rond is. Dat de natuur daar ook bij gebaat is, spreekt eigenlijk voor zich.

Verbeter je bodemkwaliteit, verbeter je mest

Rijpende versus rottende mest

Het eerste deel van het programma stond in het teken van presentaties waarin alle elementen van de kringloop aan de orde kwamen. Daarbij was een centrale plek ingeruimd voor de verschillen tussen rijpende (goede) en rottende (minder goede) mest. Kern van Peters betoog is dat melkveehouders met rijpende mest een aantal zaken anders doen. Zo gebruiken ze minder kalk en meer steenmeel in het boxenstrooisel en zorgen ze ervoor dat er minder melk en nageboortes in de put terechtkomen. Rijpende mest biedt meerdere voordelen, waaronder een hogere bemestende waarde en een lagere NH3- en H2S-emissie.

Het verschil tussen rijpende en rottende mest kwam ook aan de orde tijdens een bespreking van de uitkomsten van het TOPmest-onderzoek 2024. TOPmest is een door Peter ontwikkeld systeem waarmee hij de bemestende kwaliteitswaarde (NPK en biologisch) van mest bepaalt, inclusief de berekening van de financiële waarde. In het afgelopen jaar deden ruim 170 bedrijven in Nederland en Vlaanderen mee aan een onderzoek. Bij alle deelnemers werden mestmonsters opgehaald en uitgebreid geanalyseerd, waarbij Peter een reeks uiteenlopende gegevens in de beoordeling van de kwaliteit van mest betrekt. Hij onderscheidt daarbij chemische, fysische en biologische parameters.

Mest monsters Peter van Hoof

Mestmonsters

Na het theoretisch ingestoken ochtendprogramma werd na de lunchpauze de stap gezet naar de boerenpraktijk. Van een aantal aanwezige melkveehouders werd een mestmonster besproken. Daarnaast gaf Peter een demonstratie van zijn in eigen beheer ontwikkelde toolbox, waarmee ondernemers zélf de kwaliteit van hun drijfmest kunnen meten.

Onder de belangstellenden van wie een mestmonster onder de loep werd genomen, bevonden zich Gijs van Schriek en zijn vader Arnold. De familie Van Schriek runt in een maatschap een melkveebedrijf in Voorst, met 100 koeien en 50 stuks jongvee op 75 hectare grond. Gijs (24) vertelt hoe het bedrijf twee jaar geleden op vrijwillige basis is verplaatst van Netterden in de Achterhoek naar Voorst: ‘Dat was vooral met het oog op de toekomst van het bedrijf. We wilden graag extensiveren, van 16.500 liter naar 14.500 liter per hectare. Het was duidelijk dat we daarvoor naar een andere locatie zouden moeten verhuizen. Dat werd mogelijk gemaakt doordat we ons bedrijf konden overdragen aan een andere melkveehouder, uit Azewijn. Wat daarbij hielp was de financiële plus die we overhielden aan de verwaarding van twee windmolencontracten, via het recht van opstal.’

 

Bedrijfsfilosofie

Aan de verplaatsing naar Voorst ging een ondernemersplan vooraf, waarbij de studie Veehouderij en Ondernemerschap die Gijs aan de Aeres Hogeschool in Dronten had gevolgd goed van pas kwam. Voorst biedt betere mogelijkheden om het bedrijf op de gewenste manier voort te zetten, aldus Gijs:  ‘Onze bedrijfsfilosofie is om zoveel mogelijk ruw eiwit van eigen land te halen en zelf krachtvoer te verbouwen in de vorm van MKS, tarwe en gerst. Daarvoor moeten we extensief kunnen boeren, en dat kan in dit gebied. Ook het koppelen van natuurinclusieve activiteiten aan de bedrijfsvoering biedt hier kansen. Daar moet dan natuurlijk wel een verdienmodel aan hangen. Zo hebben we op bufferstroken een haag van 1,5 kilometer aangeplant. Dat levert een betere score op voor het GLB en Friesland Campina. En er staat een vergoeding tegenover vanuit de ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, red). Dankzij de ligging van dit gebied in de stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen kan ook toerisme nog kansen bieden.’

Gijs, die 2,5 dag in de week werkzaam is als adviseur bodem, bemesting en teelt bij Groeikracht BV, laat desgevraagd weten dat de afbouw van derogatie de nodige uitdagingen met zich meebrengt. Bij de verplaatsing naar Voorst is de maatschap Van Schriek met derogatie gestopt. De onderneming kon niet aan de 80/20 regel voldoen, waarbij veehouders met derogatie maximaal 20 procent bouwland mogen hebben. ‘De mest die we nu moeten afvoeren gaat naar een loonwerker in de omgeving,’ aldus Gijs.

Stikstofwetgeving

Wat ook een serieuze uitdaging vormt, is de stikstofwetgeving. Als voorbeeld noemt Gijs de stikstofkorting die wordt opgelegd vanuit NV-beleid. Alle agrarische bedrijven in NV-gebieden moeten in 2025 het gebruik van de totale hoeveelheid stikstof met 20 procent verlagen. Gijs: ‘Probeer dan maar eens om vanaf de derde snede een goede kwaliteit gras van het land te halen. We hebben afgelopen jaar al gemerkt dat het eiwitgehalte in het gras terugloopt.’

Terug naar het mestmonster. Gijs is tevreden over de meetresultaten. Uit de analyse van het monster blijkt dat mestkwaliteit redelijk goed is, al ziet Gijs nog een verbeterpunt: ‘Ik verwacht dat we nog wat winst kunnen behalen door de ruwvoerproductie nóg beter in de vingers te krijgen en met een lager ureum te melken. Daarnaast moet ook het weer wat meezitten. De afgelopen twee jaar waren echt te nat, dat zie je direct terug in je kuilen en daarmee in je mest.’  Terugkijkend op de dag stelt Gijs dat de  bijeenkomst in Hall tot een tweetal nieuwe inzichten heeft geleid: ‘Dat de plakkerigheid van de mest medebepalend is voor hoe de mest in de bodem wordt opgenomen. Én welke invloed verschillende soorten kalk in het boxenstrooisel heeft op je mestkwaliteit.’