Nitraatweerbericht van eind november
De laatste week van november is op de meeste percelen voor de tweede keer een Nmin-monster genomen tot 90 centimeter diepte, net als 6 weken daarvoor. De periode van 15 oktober tot 1 december is ook de periode waarin op 1000 andere percelen een Nmin-monster genomen is. Door op deze 25 referentiepercelen aan het begin en het eind van deze periode een monster te nemen, hopen we in beeld te krijgen wat de variatie binnen deze periode is.
In onderstaande grafieken zijn de driewekelijkse Nmin (0-30) uitslagen weergegeven, en de laatste twee momenten zijn de Nmin (0-90) uitslagen. De laag 0-30 cm is blauw, 30-60 cm is oranje en de laag 60-90 is in groen weergegeven. Bij de metingen van april tot en met september hebben we niet dieper dan 30 cm gemeten, wat niet wil zeggen dat in de laag 30-90 cm geen nitraat aanwezig was.
Aardappelen
Perceel 23 is niet bemonsterd in verband met inzaai wintergewas, dus de tweede Nmin (0-90) uitslag ontbreekt hier. Bij de andere percelen valt op dat de laatste meting overal verschilt ten opzichte van de vorige. Soms zijn de verschillen klein, zoals bij perceel 5 en 20 waar het verschil nog geen 10 kilogram stikstof is. Hier zit het verschil vooral in de laag 0-30, wat waarschijnlijk verklaard kan worden door de stikstofopname door het vanggewas.
Bij perceel 6 is het verschil groter, daar is op alle drie de lagen de laatste meting lager. De daling in de laag 0-30 kan door opname door het vanggewas komen, maar daling in de diepere lagen is waarschijnlijk uitspoeling.
Uien
Bij alle drie de uienpercelen is de laatste 0-90 uitslag lager. Bij alle percelen daalt de hoeveelheid stikstof in de laag 0-30, mooi in lijn met voorgaande metingen.
Mais
Bij de maispercelen zien we overal een daling van de hoeveelheid stikstof in de laag 0-30.
Suikerbieten
De bieten laten al vanaf het begin van de metingen een vergelijkbaar beeld zien. Een kleine opleving op perceel 21 waarschijnlijk door rooiwerkzaamheden, maar uiteindelijk ook een hele nette lage 0-90 uitslag beide keren.
De suikerbieten laten vanaf het begin van de metingen een consistent en stabiel beeld zien. Op perceel 21 was een lichte opleving zichtbaar, waarschijnlijk door rooiwerkzaamheden, maar uiteindelijk waren ook hier de beide 0-90 uitslagen keurig laag. Dit patroon verwachten we niet alleen bij bieten, maar ook bij verschillende andere diepwortelende gewassen, zoals maïs, luzerne, cichorei en sommige groenbemesters (bijvoorbeeld bladrammenas of gele mosterd). Deze gewassen hebben de capaciteit om stikstof ook uit diepere bodemlagen op te nemen. Daardoor blijft er na de teelt meestal weinig nitraatresidu achter.
Wintertarwe
Perceel 3 laat duidelijk het gevolg van bemesting op de stoppel zien. Hier is half augustus na het dorsen rundveedrijfmest uitgereden, waardoor de uitslagen de laatste maanden hoger zijn dan perceel 18. Nu zijn ze weer aan het dalen, wat veroorzaakt kan zijn door een combinatie van vertering van de stoppel, opname door de groenbemester en wellicht ook wat uitspoeling.
Tuinbouwgewassen
Zoals verwacht komen de meeste tuinbouwpercelen hoger uit met de Nmin 0-90 metingen, ook de tweede keer. Bij perceel 7 zou de stijging in de laag 0-30 cm (blauw) een gevolg kunnen zijn van de vertering van blad/oogstresten van de slateelt. Bij perceel 19, waar momenteel nog prei staat, zien we een sterke daling in de laag 0-30, waarschijnlijk als gevolg van stikstofopname door de prei.
Bij groenten zoals prei, bloemkool en andere koolgewassen ligt de stikstofopname in de winter vrijwel volledig stil. Zodra de temperatuur structureel onder de 5 °C komt, stopt de actieve groei en nemen deze gewassen nagenoeg geen stikstof meer op.
Hoewel prei en sommige koolgewassen in de winter nog wél overeind blijven en niet direct afsterven, functioneert het gewas fysiologisch op een laag pitje. Daardoor blijft stikstof die nog in de bodem aanwezig is, vrij beschikbaar en kan deze in natte perioden eenvoudiger uitspoelen. Overwinterende groentegewassen staan er wel, maar nemen in de winter geen betekenisvolle hoeveelheid stikstof meer op.
Blijvend grasland
Het perceel grasland is al de hele periode laag. Een klein verschil ten opzichte van vorige meting, maar dat is verwaarloosbaar.![]()
Conclusie
In zes weken tijd kan de hoeveelheid stikstof die we meten in de verschillende bodemlagen sterk veranderen. Met enkel deze metingen en de teelt- en perceelsgegevens weten we nog niet genoeg om te bepalen welke processen hier aan bijgedragen hebben. Veel verschillende factoren kunnen een rol spelen in de veranderingen in hoeveelheid stikstof die we meten:
- Mineralisatie: stikstof komt vrij als gevolg van activiteit van bodemleven. Zolang het warm genoeg is en vocht voorhanden is, kan mineralisatie optreden. Dit kan vrijkomen uit de stikstof die vastgelegd is in de bodem, of uit meststoffen zoals compost en vaste mest. Dit kan bij gunstige omstandigheden ook later in het najaar nog leiden tot hogere Nmin-metingen. Dit treedt vooral op in de laag 0-30 centimeter.
- Vertering gewasresten: uit de vertering van gewasresten, zeker bladresten uit de groenteteelt, kan in het najaar stikstof vrijkomen, wat leidt tot hogere Nmin-metingen. Dit zien we met name in de laag 0-30 centimeter terug. Bij deze teelten is het extra belangrijk om te kiezen voor een diepgeworteld vanggewas. Daarentegen heeft een verterende tarwestoppel stikstof nodig.
- Vanggewassen: vanggewassen kunnen veel stikstof opnemen bij een goede ontwikkeling. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel stikstof de verschillende vanggewassen kunnen opnemen bij verschillende lengtes. Opname van stikstof kan leiden tot een lager stikstofniveau in de laag 0-30 centimeter. Goed ontwikkelde, diepwortelende vanggewassen kunnen ook uit diepere lagen stikstof opnemen. Echter kan de interactie van de plant met het bodemleven ook extra mineralisatie stimuleren.
- Uitspoeling: wanneer weinig beschikbare stikstof wordt opgenomen door het gewas kan de stikstof, zeker bij veel neerslag, uitspoelen. Dit kunnen we terugzien in een verschuiving van de hoeveelheid stikstof in de drie lagen, maar uiteindelijk kan het verder uitspoelen waardoor we het niet meer meten en de stikstof uit het landbouwsysteem verdwijnt.
- Denitrificatie: een andere manier waarop stikstof kan verdwijnen is door denitrificatie. Bij dit proces, wat onder natte omstandigheden kan plaatsvinden, wordt nitraat omgezet naar stikstofgas. Dan verdwijnt het naar de lucht.