trekker met giertank - nitraatweerbericht
Resultaten bekend

Nitraatweerbericht van eind november

Telers handvaten geven om de kunnen sturen op duurzamer en efficiënter stikstofgebruik. Dat is in de inzet van het Nitraatweerbericht, dat de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) en DAW hebben geïntroduceerd. Het Nitraatweerbericht is een waardevol hulpmiddel dat boeren ondersteunt bij het optimaliseren van hun bemestingsstrategieën.

Door de driewekelijkse N-mineraalmetingen (N-min metingen) op 25 Limburgse percelen kunnen boeren slimmer omgaan met stikstof, kosten besparen en de opbrengst van gewassen verhogen.

Let op: De meetresultaten in het Nitraatweerbericht zijn gebaseerd op Limburgse percelen en weersomstandigheden. De inzichten zijn daarom indicatief voor andere regio’s in Nederland. Houd in andere gebieden rekening met lokale verschillen in bodemtype, neerslag en teelt.

Nitraatweerbericht van eind november

De laatste week van november is op de meeste percelen voor de tweede keer een Nmin-monster genomen tot 90 centimeter diepte, net als 6 weken daarvoor. De periode van 15 oktober tot 1 december is ook de periode waarin op 1000 andere percelen een Nmin-monster genomen is. Door op deze 25 referentiepercelen aan het begin en het eind van deze periode een monster te nemen, hopen we in beeld te krijgen wat de variatie binnen deze periode is.

In onderstaande grafieken zijn de driewekelijkse Nmin (0-30) uitslagen weergegeven, en de laatste twee momenten zijn de Nmin (0-90) uitslagen. De laag 0-30 cm is blauw, 30-60 cm is oranje en de laag 60-90 is in groen weergegeven. Bij de metingen van april tot en met september hebben we niet dieper dan 30 cm gemeten, wat niet wil zeggen dat in de laag 30-90 cm geen nitraat aanwezig was.

Aardappelen

Perceel 23 is niet bemonsterd in verband met inzaai wintergewas, dus de tweede Nmin (0-90) uitslag ontbreekt hier. Bij de andere percelen valt op dat de laatste meting overal verschilt ten opzichte van de vorige. Soms zijn de verschillen klein, zoals bij perceel 5 en 20 waar het verschil nog geen 10 kilogram stikstof is. Hier zit het verschil vooral in de laag 0-30, wat waarschijnlijk verklaard kan worden door de stikstofopname door het vanggewas.

Bij perceel 6 is het verschil groter, daar is op alle drie de lagen de laatste meting lager. De daling in de laag 0-30 kan door opname door het vanggewas komen, maar daling in de diepere lagen is waarschijnlijk uitspoeling.

Uien

Bij alle drie de uienpercelen is de laatste 0-90 uitslag lager. Bij alle percelen daalt de hoeveelheid stikstof in de laag 0-30, mooi in lijn met voorgaande metingen.

Mais

Bij de maispercelen zien we overal een daling van de hoeveelheid stikstof in de laag 0-30.

Suikerbieten

De bieten laten al vanaf het begin van de metingen een vergelijkbaar beeld zien. Een kleine opleving op perceel 21 waarschijnlijk door rooiwerkzaamheden, maar uiteindelijk ook een hele nette lage 0-90 uitslag beide keren.

De suikerbieten laten vanaf het begin van de metingen een consistent en stabiel beeld zien. Op perceel 21 was een lichte opleving zichtbaar, waarschijnlijk door rooiwerkzaamheden, maar uiteindelijk waren ook hier de beide 0-90 uitslagen keurig laag. Dit patroon verwachten we niet alleen bij bieten, maar ook bij verschillende andere diepwortelende gewassen, zoals maïs, luzerne, cichorei en sommige groenbemesters (bijvoorbeeld bladrammenas of gele mosterd). Deze gewassen hebben de capaciteit om stikstof ook uit diepere bodemlagen op te nemen. Daardoor blijft er na de teelt meestal weinig nitraatresidu achter.

Wintertarwe

Perceel 3 laat duidelijk het gevolg van bemesting op de stoppel zien. Hier is half augustus na het dorsen rundveedrijfmest uitgereden, waardoor de uitslagen de laatste maanden hoger zijn dan perceel 18. Nu zijn ze weer aan het dalen, wat veroorzaakt kan zijn door een combinatie van vertering van de stoppel, opname door de groenbemester en wellicht ook wat uitspoeling.

Tuinbouwgewassen

Zoals verwacht komen de meeste tuinbouwpercelen hoger uit met de Nmin 0-90 metingen, ook de tweede keer. Bij perceel 7 zou de stijging in de laag 0-30 cm (blauw) een gevolg kunnen zijn van de vertering van blad/oogstresten van de slateelt. Bij perceel 19, waar momenteel nog prei staat, zien we een sterke daling in de laag 0-30, waarschijnlijk als gevolg van stikstofopname door de prei.

Bij groenten zoals prei, bloemkool en andere koolgewassen ligt de stikstofopname in de winter vrijwel volledig stil. Zodra de temperatuur structureel onder de 5 °C komt, stopt de actieve groei en nemen deze gewassen nagenoeg geen stikstof meer op.

Hoewel prei en sommige koolgewassen in de winter nog wél overeind blijven en niet direct afsterven, functioneert het gewas fysiologisch op een laag pitje. Daardoor blijft stikstof die nog in de bodem aanwezig is, vrij beschikbaar en kan deze in natte perioden eenvoudiger uitspoelen. Overwinterende groentegewassen staan er wel, maar nemen in de winter geen betekenisvolle hoeveelheid stikstof meer op.

Blijvend grasland

Het perceel grasland is al de hele periode laag. Een klein verschil ten opzichte van vorige meting, maar dat is verwaarloosbaar.

Conclusie

In zes weken tijd kan de hoeveelheid stikstof die we meten in de verschillende bodemlagen sterk veranderen. Met enkel deze metingen en de teelt- en perceelsgegevens weten we nog niet genoeg om te bepalen welke processen hier aan bijgedragen hebben. Veel verschillende factoren kunnen een rol spelen in de veranderingen in hoeveelheid stikstof die we meten:

  • Mineralisatie: stikstof komt vrij als gevolg van activiteit van bodemleven. Zolang het warm genoeg is en vocht voorhanden is, kan mineralisatie optreden. Dit kan vrijkomen uit de stikstof die vastgelegd is in de bodem, of uit meststoffen zoals compost en vaste mest. Dit kan bij gunstige omstandigheden ook later in het najaar nog leiden tot hogere Nmin-metingen. Dit treedt vooral op in de laag 0-30 centimeter.
  • Vertering gewasresten: uit de vertering van gewasresten, zeker bladresten uit de groenteteelt, kan in het najaar stikstof vrijkomen, wat leidt tot hogere Nmin-metingen. Dit zien we met name in de laag 0-30 centimeter terug. Bij deze teelten is het extra belangrijk om te kiezen voor een diepgeworteld vanggewas. Daarentegen heeft een verterende tarwestoppel stikstof nodig.
  • Vanggewassen: vanggewassen kunnen veel stikstof opnemen bij een goede ontwikkeling. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel stikstof de verschillende vanggewassen kunnen opnemen bij verschillende lengtes. Opname van stikstof kan leiden tot een lager stikstofniveau in de laag 0-30 centimeter. Goed ontwikkelde, diepwortelende vanggewassen kunnen ook uit diepere lagen stikstof opnemen. Echter kan de interactie van de plant met het bodemleven ook extra mineralisatie stimuleren.
  • Uitspoeling: wanneer weinig beschikbare stikstof wordt opgenomen door het gewas kan de stikstof, zeker bij veel neerslag, uitspoelen. Dit kunnen we terugzien in een verschuiving van de hoeveelheid stikstof in de drie lagen, maar uiteindelijk kan het verder uitspoelen waardoor we het niet meer meten en de stikstof uit het landbouwsysteem verdwijnt.
  • Denitrificatie: een andere manier waarop stikstof kan verdwijnen is door denitrificatie. Bij dit proces, wat onder natte omstandigheden kan plaatsvinden, wordt nitraat omgezet naar stikstofgas. Dan verdwijnt het naar de lucht.
Bekijk de grafieken op de LLTB-website

Afgelopen seizoen hebben we iedere drie weken een Nmin-monster, in de laag 0-30 centimeter, genomen op de 25 referentiepercelen voor het Nitraatweerbericht. In de tweede week van oktober is op alle percelen een monster genomen tot 90 centimeter diepte, met een uitsplitsing van de lagen 0-30, 30-60 en 60-90 centimeter.

Dit was meteen de aftrap van de grotere Nmin-campagne die we als LLTB uitvoeren, waarin we 1000 Limburgse percelen laten bemonsteren in de periode van 15 oktober tot 1 december.

De uitslag van deze meting geeft de hoeveel stikstof (in de vorm van nitraat) weer die nog aanwezig is in de bodem. Omdat deze stikstofvorm uitspoelingsgevoelig is, is het van belang om te sturen op een lage Nmin-uitslag in het najaar. Dit voorkomt verlies van waardevolle stikstof en vermindert de nitraatuitspoeling naar het grondwater.

De streefwaarde voor de Nmin-uitslag verschilt per grondsoort, vanwege de verschillen in bodemkarakteristieken en de snelheid waarmee nitraat uitspoelt.  Voor de zandgrond hanteren we een streefwaarde van 50 kg N/ha en voor klei- en lössgrond 80 kg N/ha (in de laag 0-90), mits de juiste maatregelen worden genomen om de beschikbare stikstof vast te leggen. Deze streefwaardes zijn afkomstig van de WUR. In Nederland is er ook steeds meer aandacht voor Nmin-monsters en wordt nog door verschillende instanties gekeken naar passende streefwaardes voor de Nederlandse omstandigheden.

In de grafieken zijn de driewekelijkse Nmin (0-30) uitslagen weergegeven, met op 13 oktober de uitslag van de meting tot 90 centimeter diepte. De laag 0-30 centimeter is blauw, 30-60 centimeter is oranje en de laag 60-90 is in groen weergegeven. De vorige metingen hebben we dus niet dieper dan 30 centimeter gemeten, wat niet wil zeggen dan in de laag 30-90 centimeter geen nitraat aanwezig was.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Alle percelen zijn weer bemonsterd in de vierde week van september. Ondertussen zijn steeds meer percelen geoogst en is bij een deel een groenbemester ingezaaid. Deze activiteiten lijken bij sommige percelen de hoeveelheid nitraat die we meten te beïnvloeden. Waarschijnlijk hebben het rooien of bodembewerkingen na oogst een stimulerende werking op de mineralisatie, zeker met het relatief warme najaar.

Op al deze percelen wordt bij de volgende meting een monster op 0-90 cm diepte genomen, met een uitsplitsing tussen de lagen 0-30, 30-60 en 60-90 cm. Deze Nmin-meting is een belangrijke meting na het groeiseizoen om de stikstofbenutting gedurende de teelt te evalueren.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Op 1 september zijn de percelen weer bemonsterd. Bij de meeste percelen zien we nog een dalende lijn in de hoeveelheid stikstof die we meten. Dat is ook nodig om in november met een lage Nmin meting (0-90 cm) te eindigen.

Op steeds meer percelen is de stikstofopname door het gewas echter gestopt of is het gewas al geoogst. In deze periode kan de mineralisatie in de bodem nog doorgaan, met een risico dat de vrijkomende stikstof uitspoelt als er geen passende maatregelen genomen worden.

Een vanggewas kan nitraatuitspoeling, en verlies van waardevolle stikstof, beperken door deze op te nemen en vast te leggen. Dit komt het volgende seizoen weer deels beschikbaar. Hoe eerder het vanggewas gezaaid wordt, hoe meer stikstof er nog vastgelegd kan worden.

Voor meer tips over vanggewassen en groenbemesters, zoals de groenbemestersoorten, effect op bodemstructuur of aaltjes en de voordelen van groenbemestermengsels, kijk op de website van Handboek Groenbemesters.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Op 11 augustus zijn alle percelen weer bemonsterd. In de periode ervoor zijn er geregeld kleine buien gevallen, al overheerst de droogte.

Veel gewassen zijn in een stadium dat ze weinig stikstof meer opnemen. De hoge temperaturen, met af en toe neerslag houden de bodemmineralisatie echter wel op gang.

Op percelen waar de stikstofopname door het hoofdgewas nu is gestopt, of waar al geoogst is, maar waar de hoeveelheid stikstof nog vrij hoog is, is het belangrijk om een goede groenbemester of vanggewas te telen om de stikstof vast te leggen.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Afgelopen weken is eindelijk weer geregeld regen gevallen. In combinatie met de zomerse temperatuur hebben de gewassen zich afgelopen weken flink kunnen ontwikkelen. We zien op meerdere percelen terug dat de hoeveelheid stikstof gedaald is als gevolg hiervan. We zien ook percelen waar de opname lager ligt dan de mineralisatie, met hogere uitslagen als gevolg, zonder dat er nog bemest is.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Afgelopen drie weken hebben we verschillende uitersten gezien in het weer, van hele hete dagen, tot plaatselijk sterke buien. Ondanks de buien is het zeer droog op de meeste percelen. De droogte heeft ook invloed op de Nmin-cijfers. We zien op een aantal percelen een opleving van de hoeveelheid stikstof die we meten, vaak meer dan dat er bijbemest is. Stikstofmineralisatie wordt onder andere beïnvloed door vocht (door beregening of een plaatselijke bui), warmte en activering van het bodemleven door de groeiende plant. Plantenwortels scheiden wortelexudaten uit, die onder andere suikers, aminozuren organische zuren bevatten. Deze stoffen voeden het bodemleven, zoals bacteriën en schimmels. Door deze stimulans van de microbiële activiteit neemt de omzetting van organisch gebonden stikstof naar beschikbare vormen (zoals ammonium en nitraat) toe. Na droogte worden meer wortelexudaten uitgescheiden dan onder normale omstandigheden, wat tot een extra vrijgave van voedingsstoffen leidt. Daarnaast sterft een deel van het bodemleven af tijdens droogte, waardoor stikstof vrijkomt.

Het warme weer heeft ook tot stijgende bodemtemperaturen geleid, zeker op de zandgronden, maar ook de lössgrond is flink opgewarmd.

Dus wanneer en voldoende regen valt of beregend wordt, zijn dit ideale omstandigheden voor stikstofmineralisatie. Bij de onderstaande cijfers zien we de hoeveelheid stikstof uit nitraat en ammonium die we meten in de bouwvoor (0-30 cm), wat we niet meten is de hoeveelheid stikstof die is vrijgekomen, maar al opgenomen is door het gewas. Lage cijfers willen dus niet per definitie zeggen dat er geen stikstof beschikbaar is voor het gewas.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

In de afgelopen periode  eind mei – half juni liepen de temperaturen op. Er waren dagen bij van 25 graden en meer. Ook is in deze periode de nodige neerslag gevallen. Ideale omstandigheden voor de mineralisatie in de bodem.

Ook zien we dat de gewassen flink aan het groeien zijn. Er komt dus stikstof vrij in de bodem en dat kan direct worden opgenomen door het gewas.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Op 22 mei is op alle referentiepercelen weer een N-minmonster genomen. De resultaten laten steeds grotere verschillen zien tussen de gewassen, terwijl we binnen gewassen vaak dezelfde trends zien.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Op 1 mei zijn de percelen weer bemonsterd en geanalyseerd op ammonium (NH4+) en nitraat (NO3) gehalte. We zien bij meer dan de helft van de percelen het nitraatgehalte stijgen, met name de percelen die bemest zijn, waarschijnlijk door het verder vrijkomen van stikstof uit de bemesting, maar ook stikstofmineralisatie in de bodem die gestimuleerd wordt door de bodembewerking.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

Het eerste nitraatmonster is gestoken op de 23 deelnemende referentiepercelen, hiermee start dan ook ons periodieke Nitraatweerbericht. Het komende jaar wordt hier iedere drie weken een monster gestoken, waarmee we een goed beeld proberen te krijgen van de ontwikkeling van de minerale stikstof in de bodem gedurende het groeiseizoen.

Op enkele percelen is al mest uitgereden, wat resulteert in hogere Nmin-waardes dan de niet bemeste percelen. Met name de NH4+ concentratie neemt snel toe na aanwenden van dierlijke mest. Daarnaast komt de stikstof die opgeslagen zit in de ondergewerkte groenbemester langzaam vrij, wat ook bijdraagt aan de gemeten Nmin-waardes. In combinatie met de bemesting, waardoor de C/N ratio veranderd, zal de stikstof nog sneller vrijkomen uit de biomassa.

Op verschillende percelen hebben ze onder goede omstandigheden al kunnen zaaien op planten, of gaan ze dit komende weken doen. Komende weken zullen we zien hoe de langzaam opkomende gewassen en verdere mineralisatie in de bodem de Nmin-waardes beïnvloeden.

Bekijk de uitgebreide resultaten op de website van de LLTB.

 

 

Het belang van inzicht in stikstof

De bodem en de bodemprocessen, zoals mineralisatie en denitrificatie, zijn nog een grote onbekende bij het opstellen van een bemestingsplan. Hoe meer we weten van de bodem, hoe beter de bemesting hier op aangepast kan worden. Dit inzicht kan helpen om te komen tot een efficiëntere bemesting, lagere kosten en minder uitspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater.

Met de inzet van N-mineraalmetingen op de 25 demopercelen, waarbij driewekelijks de stikstofstatus wordt beoordeeld en geanalyseerd, wordt waardevolle informatie verzameld. Deze gegevens worden gebruikt om bemestingsplannen te optimaliseren, wat niet alleen bijdraagt aan een beter rendement, maar ook aan een vermindering van uitspoeling van stikstof en fosfor naar het milieu.

Nitraatweerbericht: Praktische kennisdeling

Op basis van deze de metingen wordt via het Nitraatweerbericht toelichting gegeven op de bodemprocessen en advies gegeven hoe hier op ingespeeld kan worden met de bemesting. Op de meetpercelen wordt een breed spectrum aan gewassen geteeld: van aardappelen en suikerbieten tot mais en uien. De bodemadviseurs van het Regionale Bodemteam van het DAW analyseren de metingen en geven in ieder Nitraatweerbericht tips per gewas.
Het doel? Het vergroten van bewustwording en kennisdeling over de N-min metingen en het belang van een goede bemestingsstrategie voor verschillende teelten, bodemsoorten en weersomstandigheden.

Met het Nitraatweerbericht werken we aan een toekomstbestendige landbouwsector waarin stikstof efficiënter wordt benut. Dit zorgt niet alleen voor lagere kosten en hogere opbrengsten, maar ook voor een positieve impact op het milieu.

Gerelateerde regiocoördinatoren

Gerelateerde advies & subsidies