Na een lange droge periode zijn de eerste buien weer gevallen. Voor veel boeren komt daarmee ook de vraag op: wat doe ik met de mest die nog in de kelder zit? Volgens bodemadviseur Dirk Johan Feenstra is juist nu het moment om niet alleen vanuit beschikbare opslagruimte te denken, maar vooral vanuit de behoefte van het gewas.
“Dierlijke mest is waardevol. Het bevat stikstof, organische stof en allerlei mineralen en sporenelementen waar een gewas van kan groeien. Maar dan moet je die mest wel toedienen op het moment dat het gewas er ook echt iets mee kan,” zegt Dirk Johan Feenstra, bodemadviseur bij DAW. “Als nutriënten niet worden opgenomen, kunnen ze verloren gaan. Dat is zonde voor de boer én niet goed voor de waterkwaliteit.”
Kijk eerst naar wat het gewas nodig heeft
In de praktijk wordt de afweging vaak gemaakt vanuit de mestkelder: hoeveel ruimte is er nog, hoeveel mest moet er nog uitgereden worden en hoeveel plaatsingsruimte is er beschikbaar? Begrijpelijk, zeker na een periode waarin uitrijden door droogte of omstandigheden lastig was. Toch adviseert Feenstra om de vraag om te draaien: wat heeft het gewas nu nog nodig en kan het de toegediende nutriënten ook benutten?
Met een maximale gift van 170 kilo stikstof per hectare uit dierlijke mest is het belangrijk om die hoeveelheid zo effectief mogelijk in te zetten. Niet alleen vanwege de opbrengst, maar ook om te voorkomen dat waardevolle mineralen uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater. “De kunst is om dierlijke mest te zien als een waardevolle bron, niet als een reststroom waar je vanaf moet,” aldus Feenstra.




