Sloot in agrarisch gebied met planten

Aanleg en beheer van droge en natte bufferstroken

Bufferstroken zijn onbemeste en onbespoten stroken grond langs waterlopen. Ze beschermen het oppervlaktewater tegen afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast dragen ze bij aan biodiversiteit en soms aan waterberging. Sinds 2023 is het aanhouden van bufferstroken verplicht voor landbouwpercelen die grenzen aan watergangen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen natte en droge bufferstroken. Een natte bufferstrook ligt langs waterlopen die in het groeiseizoen water blijven voeren en waar de oeverzone regelmatig vochtig of nat is. Het gaat bijvoorbeeld om beken, KRW-watergangen en andere sloten die niet droogvallen. Door de natte omstandigheden vraagt deze bufferstrook om een andere inrichting dan bij droogvallende sloten. De strook heeft vaak een flauw talud of loopt iets af richting het water, waardoor een overgang ontstaat tussen land en water. Dit type bufferstrook helpt vooral bij het verminderen van afspoeling en het vasthouden van water.

Een droge bufferstrook ligt langs waterlopen die in het groeiseizoen vaak droogvallen. Het gaat om sloten die tussen 1 april en 1 oktober tijdelijk droog staan en die in de RVO-kaartlaag als waterloop zijn aangemerkt. De strook ligt meestal op maaiveldniveau en heeft als belangrijkste doel om afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater te beperken. In de praktijk wordt een droge bufferstrook vaak ingericht als grasstrook of kruidenrijke rand, passend bij de bedrijfsvoering.

Regels en verplichtingen

Voor alle bufferstroken geldt dat geen meststoffen en geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Dit geldt ook voor biologische of zogenoemde ‘groene’ middelen. Maaien, beweiden en oogsten is in veel gevallen toegestaan, tenzij de bufferstrook wordt aangemeld als eco-activiteit binnen de GLB-eco-regeling. Dan gelden extra beperkingen. Zo mag de strook in vastgestelde periodes niet worden beweid en is oogst als productiegewas niet toegestaan.

De breedte van de bufferstrook hangt af van het type waterloop:

  • 5 meter bij ecologisch kwetsbare waterlopen en bij KRW-waterlopen breder dan 10 meter. Of een waterloop ecologisch kwetsbaar is, kun je zien in de kaartlaag in Mijn Percelen van RVO;
  • 1 of 3 meter bij overige waterlopen. Als de bufferstrook meer dan 4% van het perceel beslaat, mag de breedte worden verkleind. In dat geval kan de strook worden teruggebracht naar 1 meter.

De oppervlakte van de bufferstrook telt niet mee voor de mestplaatsingsruimte. RVO berekent dit automatisch in Mijn Percelen, maar de ondernemer blijft verantwoordelijk voor controle van de juiste intekening.

Aanleg in de praktijk

De aanleg van een bufferstrook vraagt om maatwerk. Bij natte bufferstroken ligt de strook langs waterlopen die niet droogvallen. Soms wordt dit gecombineerd met een natuurvriendelijke oever, maar dat is geen verplicht onderdeel van de bufferstrook. De bufferstrook ligt op het perceel en kan worden ingezaaid met gras of kruiden. De oever zelf valt meestal buiten de bufferstrook en kan apart worden ingericht, bijvoorbeeld als natuurvriendelijke oever of waterberging.

Bij droge bufferstroken ligt de strook op maaiveldhoogte en is deze doorgaans begroeid met gras of kruiden. Robuuste soorten zoals timothee, kropaar en smalle weegbree zijn geschikt, omdat ze weinig bemesting nodig hebben en tegen betreding kunnen. Inzaaien gebeurt bij voorkeur in het najaar of vroege voorjaar op een schoon, onbemest zaaibed.

Een innovatieve variant is de zogeheten Bufferstrook 2.0, waarbij bomen of struiken, zoals hazelaar of walnoot, worden aangeplant op de bufferstrook. Dit kan extra opbrengst opleveren, maar vraagt wel afstemming met het waterschap of de slooteigenaar. Daarbij spelen zaken als slootonderhoud, eigendom, zichtlijnen en regels uit het omgevingsplan een rol. Deze houtige bufferstroken vangen meststoffen effectief af, leggen CO₂ vast en kunnen noten of biomassa opleveren als extra inkomstenbron.

Beheer en onderhoud

Goed beheer bepaalt het succes van de bufferstrook. Maaien gebeurt meestal één of twee keer per jaar, afhankelijk van de doelstelling. Door maaisel af te voeren verschraalt de bodem. Dat kan positief zijn voor biodiversiteit. Voor waterkwaliteit is een gesloten en goed bewortelde grasmat vaak effectiever om afspoeling te beperken. Bij natte bufferstroken helpt vegetatie bovendien om de oever stabiel te houden. Bij droge bufferstroken ligt de nadruk op het voorkomen van insporing en het herstellen van kale plekken.

Houtige bufferstroken vragen beperkt onderhoud: jaarlijks snoeien en in droge periodes water geven aan jonge aanplant is meestal voldoende.

Kosten, opbrengsten en effecten

De aanleg van een bufferstrook kost relatief weinig, maar er is sprake van inkomstenderving doordat teeltoppervlak wegvalt. Deze kosten kunnen deels worden gecompenseerd via de GLB-eco-regeling of via het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), wanneer de strook wordt verbreed en natuurdoelen dient.

Bufferstroken leveren voordelen op voor zowel het bedrijf als het gebied. Ze verminderen de afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en dragen bij aan meer biodiversiteit langs de sloot. Voor het gebied verbeteren ze de waterkwaliteit en kunnen ze, afhankelijk van de inrichting, helpen bij het vasthouden van water. Wanneer gekozen wordt voor houtige beplanting, zoals struiken of bomen, kan ook extra koolstof worden vastgelegd.