Samenwerking tussen akkerbouwers en melkveehouders is geen doel op zich. Maar het is volgens projectleiders Bart Jan Wulfse en Ronald Luijkx een middel om grond en stikstof beter te benutten, gewassen slimmer op elkaar te laten volgen en uitspoeling te verminderen. Op zandgrond waar nitraatuitspoeling een blijvende uitdaging is, wordt die manier van denken steeds belangrijker, denken ze op basis van onderzoek en praktijkprojecten. In dit artikel delen zij de kansen van samenwerking en hoe je dat het beste kunt aanpakken.
In zandgebieden wisselen percelen vaak van gebruiker. Een melkveehouder gebruikt grond voor gras of mais. Daarna komt er een akkerbouw- of groentegewas op. Of andersom: na een akkerbouwteelt komt tijdelijk gras of een ander voedergewas. In zandgebieden zoals De Peel in Brabant of Achterhoekse ’t Klooster wisselt naar schatting 40% van het areaal jaarlijks van beheer.
Die gronduitwisseling biedt kansen voor de uitdagingen rondom uitspoeling op zand. Maar alleen als ondernemers verder kijken dan één teeltjaar, zegt Ronald Luijkx (projectleider AgroProeftuin Noordoost Brabant). ‘Wat is er vorig jaar geteeld? Hoe is er bemest? Wat blijft er achter aan stikstof? Is er een vanggewas ingezaaid? Dat zijn vragen die je moet stellen als teler wanneer je een perceel van een ander in gebruik neemt.’ Bart Jan Wulfse (projectleider doelsturing in opdracht van De Agroproeftuin Noord Oost Brabant) vult aan: ‘Samenwerking werkt pas goed als telers gezamenlijk naar het bouwplan, de bodem en beschikbare nutriënten kijken. Mede op basis daarvan is optimalisatie van gezamenlijk grondgebruik mogelijk met een lagere nitraat uitspoeling’.










