Bodembeheer
Een weerbare bodem beschikt over een rijk en divers bodemleven, een goede bodemstructuur en gunstige chemische eigenschappen. In zo’n bodem blijft de biodiversiteit in evenwicht en krijgen ziekten en plagen minder kans om schade aan te richten.
Lucht en water zijn essentieel voor een goede beworteling en een actief bodemleven. Beperk daarom bodemverdichting door percelen zo min mogelijk te berijden, te werken met vaste rijpaden, een lage bandenspanning of dubbelluchtbanden. Kijk daarnaast naar de mogelijkheden van beperkte of niet-kerende grondbewerking.
Het aanvoeren van organische stof draagt bij aan een goede bodemstructuur, een groter watervasthoudend vermogen en voldoende voeding voor het bodemleven. Dit bodemleven maakt weer nutriënten beschikbaar voor het gewas.
Monitoring
Controleer je gewas regelmatig op ziekten en plagen. Pas wanneer een schadedrempel wordt overschreden, is ingrijpen nodig. Beslissingsondersteunende systemen kunnen helpen bij de afweging of een maatregel noodzakelijk is en welke aanpak het meest geschikt is.
Ook jaarlijkse monitoring en evaluatie van ziekten, plagen en opbrengsten zijn belangrijk. De resultaten kunnen aanleiding zijn om de ICM-strategie bij te stellen.
Gerichte bestrijding
Om grote schade te voorkomen blijft ingrijpen soms noodzakelijk. Denk daarbij eerst aan mechanische onkruidbestrijding, de inzet van natuurlijke vijanden of laag-risicomiddelen zoals bacteriën en schimmels.
Wanneer chemische gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn, pas deze dan zo gericht mogelijk toe. Werk met precisietechnieken, kies middelen met een lagere milieubelasting en maak gebruik van passende driftreducerende technieken.